2006 Manfred Heddes


Verslag van het bezoek van Manfred Heddes in Benin.

Nu pas heb ik eindelijk de kans om te mailen. Ik ben hier al zo’n drie weken, maar contact met de buitenwereld is vrijwel onmogelijk. Mijn telefoon werkt wel, maar Vodafone heeft geen contract met de netwerken hier in Benin en Togo afgesloten, dus ik mag alleen 112 bellen, en zo hoog was de nood nou ook weer niet. Maar nu ben ik meegereisd naar een wat groter dorp waar het mogelijk is om te mailen, dus……. bij deze!!

Het weer
Het is hier overdag gloeiend heet geweest (45 º ), en de nachten evenzo. Ik slaap met bovenop mijn beddengoed een handdoek, en naast me nog eens twee handdoeken. Om het zweet af te kunnen vegen, waarin je badend iedere nacht twee, drie of zelfs vier keer wakker wordt.
Overdag zoveel hitte dat je zo snel mogelijk dekking zoekt in de schaduw of in een gebouw.
Maar nu, terwijl ik dit schrijf, is het gelukkig even wat koeler. Het heeft de afgelopen dagen diverse malen geregend, en het lijkt erop dat het regenseizoen gaat beginnen. Vorige week heeft het zelfs zo verschrikkelijk hard en lang geonweerd ’s nachts (zo’n 5 uur achtereen) dat niemand een oog heeft dicht gedaan. De locale bevolking zat te bidden tot God dat het op zou houden, en sommigen waren zo bang dat hun huisjes in zouden storten, dat ze tegen de muren gingen leunen, in de hoop het zo te kunnen voorkomen. Na zo’n onweersbui is het eventjes koeler, maar dat duurt slechts enkele uren, dan is het weer als vanouds. Het zweet loopt je door de bilnaad en je kleren kun je na een paar uur weer gaan wassen, zo vies zijn ze van het zweet en het ...

Stof
... stof. Stoffig ..., Benin is een grote klomp zand, rood zand, dat je in alle poriën gaat zitten, in je oren, je neus, overal. Er ligt een rode waas over alle spullen in de huisjes, over je kleren, de apparaten. Geen wonder dat de apparaten hier snel slijten. Tijdens een voetbalwedstrijd bij de locale school begon het flink te waaien voorafgaand aan een onweersbuitje (een kleintje ditmaal), maar dit ging gepaard met windhoosjes, en enorm veel stof . Desondanks werd er gewoon doorgespeeld, terwijl ik in al dat stof mijn ogen niet eens kon openhouden, laat staan een bal zien. Bikkels hoor die Beninezen.

Reis
De vliegreis hiernaartoe verliep redelijk. Afriquiah, de maatschappij waarmee we vlogen, was betrouwbaarder dan de naam doet vermoeden. We zijn in ieder geval veilig geland op het vliegveld van Cotonou, in Benin. Midden in de nacht, en na het uitstappen in een paar tellen drijfnat van het zweet, door de plotselinge hitte. De douaneformaliteiten vielen mee, met name doordat Marjan Kroone, de vrouw die hier de motor is achter de stichting, vrijwel iedereen kent . Onze snelle doortocht door de douane hadden we te danken aan het feit dat de hoofdcommissaris van politie van Cotonou (een stad met ruim 600.000 geregistreerde inwoners, en nog veel meer niet getelde illegalen) persoonlijk aanwezig was om zijn vriendin Marjan even te begroeten. Iedere passagier die normaal door de douane gaat moet alle tassen en koffers openmaken om gecontroleerd te worden. Bij ons was een vluchtige blik in één van de 10 koffers, dozen, die grote Blokkertassen en rugzakken voldoende. In een overvolle taxi, met koffers op schoot en in mijn nek, naar het hotel om daar een paar uurtjes te slapen. Het ‘hotel’ is eigenlijk een soort jeugdherberg, kleine kamertjes, lakens op de bedden die zich volgens mij zelf opmaken, door alle beestjes die erin bivakkeren. Ik heb gelukkig een lakenzak bij me als ik op reis ben, maar echt ontspannen slapen doe ik niet. Dat is trouwens in deze tropische hitte sowieso niet echt mogelijk. Na zo’n 3 uurtjes weer op om de reis te vervolgen. Vanwege de vele koffers en aanverwante spullen kunnen er maar twee personen in een taxi, de overige twee moeten achterop brommertjes (Zemidjan) richting het vertrekpunt van de bus. Deze brommertjes racen door het verkeer op een manier en met een snelheid waar Valentino Rossi nog een lesje van kan leren. Wij zijn om iets voor zessen bij het station, evenals vele andere reizigers, maar het duurt nog ruim anderhalf uur voor we vertrekken, het inpakken van alle bagage vergt veel tijd. We reizen in colonne, met 4 bussen die allemaal naar dezelfde eindbestemming gaan. Iedere bus heeft, naast de chauffeur, een monteur, bagageboy en een kaartjescontroleur aan boord. Eerst vind ik dit nogal overdreven, alhoewel je zo wel werkloosheid kan bestrijden (misschien iets voor in Nederland), maar als we onderweg met onze bus een klapband krijgen, ben ik toch blij dat ze erbij zijn. Alle bussen stoppen, de passagiers vluchten de bush in om hun behoeften te doen, en al het personeel, 16 man dus, staat samen één band te wisselen. De reserveband komt uit bus 1, de krik uit bus nr 2, en de bus met de klapband is nr 3 (wie deze organisatie begrijpt kan volgens mij meteen minister-president worden van dit land!). Al met al zijn we redelijk snel weer op weg. We stoppen regelmatig om mensen in of uit te laten stappen, en elke keer worden we bestormd door de gebruikelijke verkopers van zelfgebakken producten, waar ik me niet aan waag (spuitpoep tijdens de reis is niet waar ik op zit te wachten), water in flessen waarvan de verzegeling al verbroken is (ook laten staan, ze zijn gewoon gevuld met ongefilterd water uit de put), en diverse prullaria, variërend van waaiers tot DVD’s en CD’s (handig tijdens een busreis….). Onderweg steekt er regelmatig loslopend vee over, en hoewel onze chauffeur vrijwel de hele reis door Benin al claxonnerend over de weg scheurt, lukt het hem niet om alles te ontwijken. Ik begrijp nu ook waarom er zo’n enorme bull-bar voorop de bus zit. Heel Benin treurt om de geit die wij geplet hebben. Als we na zo’n 9 uur eindelijk op het eindpunt van de busreis zijn, moeten we nog een uur met een taxi-brousse (een soort bush-taxi) over een zandweg naar Boukombé, ons reisdoel. Zo’n taxi-brousse wordt volgeladen met 7 personen, aangevuld met bagage, kippen, schapen, geiten en fruit. De ananassen rollen tijdens de reis regelmatig in mijn nek, en ook moet ik af en toe een koffer terugkoppen die in mijn nek beland. Normaal vertrekt zo’n taxi pas als er ook echt zoveel mensen en vee inzitten, maar wij yovo’s (blanken) hebben natuurlijk dubbele plaatsen betaald, dus we reizen af met slechts 4 passagiers, en dan vindt ik het, met mijn benen zowat in mijn nek, al aardig vol. Uiteindelijk zijn we na ruim anderhalve dag reizen eindelijk waar we zijn moeten. Ik ben gebroken.

Hygiëne
Op de ‘ international airport’ van Libië in Tripoli hadden we op de heenreis een tussenstop. Hier kon je voor het eerst de armoe en chaos van Afrika zien, en het gebrek aan hygiëne op dit continent. Ik moest even naar het toilet, maar bij het binnentreden van de toiletruimte was mijn aandrang ineens verdwenen. Varkens in Nederland hebben een schonere stal. In Benin is het zo mogelijk nog erger. Handen wassen, überhaupt jezelf wassen, is hier geen gemeengoed. Als je iemand de hand hebt geschud, wat je hier zeer vaak doet, want iedereen wil die blanke wel even ontmoeten, dan moet je eigenlijk meteen je handen ontsmetten. De meeste ziekten hier hebben met hygiëne, of juist het gebrek daaraan, te maken. Het water kun je niet vertrouwen, dus ik ben helaas genoodzaakt om veel bier te drinken (en jullie weten dat ik daar een grote hekel aan heb…….), of flessenwater, gefilterd water en heel veel thee. Het eten van vis en vleesproducten wordt streng afgeraden. Het is al knap als er überhaupt vlees aan het vee zit, want het is over het algemeen broodmager, net als de mensen hier. De kippen heten hier fietskip, als ze mager zijn, autokip als er vlees aan zit, of televisiekip (u kent ze wel, die halve kippetjes in zo·n grill-oven achter zo·n glazen ruitje) . Ik heb alleen nog maar fietskippen gezien. Afval wordt achteloos overal neergegooid, en plassen en poepen doe je natuurlijk in het dichtstbijzijnde bosje, dat is logisch….! Toch knap dat ik, terwijl ik hier ondertussen al ruim drie weken tussen deze mensen leef en hun eten eet, nog niet ziek ben geworden, zelfs nog geen diarree heb gehad. Zo goed is bier nu voor een mens.

Ziekten
Dat ik zelf nog niet ziek ben mag dan een wonder zijn, ik heb wel heel veel zieken om me heen gezien. Op het terrein waar de optiekzaak staat is ook een kleine polikliniek, met een kraamkliniek, een quarantaineruimte voor mensen met open TBC, en een verpleegafdeling voor de langdurig zieken. Mensen hier lijden aan de meest afschuwelijke ziekten. Ringworm, schurft, lepra, TBC, AIDS (HIV), malaria en andere parasieten, infecties van bacteriële aard, en allerlei andere vage ziekten waar ik de naam niet eens van ken. Ook wordt er af en toe iemand binnengebracht die door een krokodil is aangevallen (er is er één actief in een kleine modderpoel net buiten het dorp, waar de kinderen graag in zwemmen). Je zou zeggen, een ezel stoot zich niet tweemaal aan dezelfde steen, maar communicatie is niet de sterkste kant van een Beninees, dus nog geen week na de eerste bijtsessie van Schnappie, das kleine krokodil, was het weer raak. Beide mensen hebben het overleefd, maar ze zijn niet helemaal compleet meer. Ook worden er regelmatig mensen, voornamelijk kinderen, binnengebracht die verbrand zijn doordat ze in het kookvuur zijn gevallen, of omdat ze kokend water of olie over zich heen hebben gekregen. Er wordt hier geleefd in primitieve hutten (tata-somba’s) of eenvoudige hutten (ter grootte van een fietsenschuurtje), waar ze met hele families in leven. Een ongeluk zit in een klein hoekje. Op het gebied van oogziekten zie ik veel staar, beschadigde hoornvliezen (door virale en bacteriële infecties, of omdat er kokend water in is gekomen), traumaletsel (takken in het oog en zo), en ogen die door parasieten zijn beschadigd (er zijn hier wormpjes die via de voeten binnendringen, zich een weg door het lichaam vreten, alles beschadigen, en zelfs opduiken in het oog). Ach ja, je kunt zeggen dat ik de normale dingen hier tegenkom……. bijna alledaags (niet dus!!!).

Bevolking
Zoals op al mijn reizen door primitievere gebieden in de wereld, valt het hier ook weer op dat, hoe armer de bevolking is des te socialer men zich gedraagt. Iedereen begroet hier elkaar op een vriendelijke manier, men heeft oog voor elkaar, en men is niet bang om een praatje te maken met vreemden. Alles wordt gedeeld, en alhoewel vrijwel iedereen hier te weinig voeding binnenkrijgt wordt het weinige wat er is toch nog gedeeld met de nog armere. Ik heb gisteravond (zondag) gegeten bij de pastoor van het dorp. We waren door hem uitgenodigd, en zijn met vijf blanken bij hem aangeschoven. Zijn vrouw (hij heeft er slechts één) had voortreffelijk gekookt. Normaal eet eerst de man en de gast(en), en daarna zijn de jongens aan de beurt. Als laatste de vrouw en de meisjes. Bij de pastoor aten we gelukkig allemaal tegelijk, dus ook zijn vier kinderen en zijn vrouw aten gelijk met ons. Ik voel me nooit zo prettig als ik zit te eten, en er staan een aantal hongerige kinderen te wachten tot ik ben uitgegeten, maar als ik dat niet zou doen zou men zwaar beledigd zijn, want dat is nou eenmaal het gebruik hier. Tijdens de maaltijd komen er af en toe mensen binnen die ook een bordje eten krijgen, een vrouw die erg actief is in de kerk, een jongen die alles opzij moet zetten om zijn studie te kunnen betalen (en dus zelf geen eten kan kopen), en de arme bedelaars en leprozen die over straat zwerven. Ik heb diep respect voor deze manier van alles samen delen. Daar zouden wij in Europa nog heel veel van kunnen leren. Ik ben een paar weken geleden uitgenodigd door Albert, de opticien die ik hier moet opleiden, om in Togo (het buurland) een biertje te drinken. Eerst illegaal de grens over, en daarna naar een kroeg daar. Na het drinken van enkele biertjes, begon het vreselijk te regenen, waardoor we gedwongen werden nog langer te blijven ( je kunt in deze tropische regenbuien echt niet over straat, zo hard regent het dan). Uiteindelijk, toen de bui voorbij was, en we naar huis gingen wilde ik afrekenen, de rekening was aardig opgelopen door ons verlengde verblijf, maar ik mocht van hem niet betalen. Ik was zijn gast en hij was diep beledigd dat ik wou betalen. Ik zei dat ik rijk was, en dat het voor mij niets voorstelde, maar hij wilde er niets van weten. Uiteindelijk moest hij zo’n 6000 CFA afrekenen (omgerekend zo’n 9 Euro), en dat terwijl zijn maandsalaris 35.000 CFA is (50 Euro). Ik heb daarna van alles geprobeerd om te zorgen dat hij zijn geld weer terugkrijgt, maar als hij het gevoel zou krijgen dat ik dat zou doen omdat ik medelijden met hem heb, zou hij het niet accepteren. Ik heb dus ondermeer een maatpak laten maken door zijn vrouw, die couturier is. In totaal kostte me dit 10.000 CFA, inclusief een flinke fooi, en zo komt het geld toch weer terug, en ik moet zeggen, het zit beter dan de warme kleding die ik uit Nederland heb meegenomen. Ook heb ik hen op 1 mei, de dag van de arbeid (hier wel een echte feestdag!!!) getrakteerd in de lokale kroeg. En, als afscheid zet ik hen, en alle overige personeelsleden waar ik nauw mee te maken heb gehad, een vorstelijk maal voor. Mij kost dit hooguit 50 Euro, en voor hen is dit alsof ze eten in een 5sterren restaurant. Het pak is overigens in de traditionele kleuren van dit land, de kleding is hier zeer fleurig.

Taboes
Ik verbaas me hier over vele dingen, en één daarvan is misschien wel het gebrek aan taboes. In Nederland, ons zogenaamd progressieve landje, zie je niet snel jongens of mannen hand in hand over straat gaan, of zelfs met de arm over de schouder van een andere man. Hier is dat normaal. En geloof me, het zijn geen homoseksuelen. De omgang tussen mensen is veel vrijer, natuurlijker. De Afrikanen zijn ongeremd. Of het nu om dit soort uitingen van genegenheid of vriendschap gaat, of om zang en dans, iedereen accepteert de ander zoals die persoon is, er wordt niet gelachen als iemand vals zingt of danst als een blanke (stijfjes dus), men zal daar nooit spottend of lacherig op reageren. Men laat hier de ander in zijn waarde. Verstandelijk gehandicapten worden ook meer geaccepteerd. Tijdens één van de dagen dat ik mee op veldwerk was met Marjan kwam er een gestoorde vrouw binnen in de kerk waar we de consulten hielden. Ze maakte veel kabaal en schreeuwde en vloekte tegen iedereen in haar omgeving. Desondanks werd ze met respect behandeld en werd ze netjes begeleid naar de rij wachtenden. Na haar behandeling (enkele pillen voor bestrijding van de wormen en wat vitaminepillen en enkele Ibu’s tegen de pijn) wilde ze buiten alle pillen in één keer naar binnen werken. De pastoor greep in en legde haar geduldig uit dat dat slecht was. Ze bleef tieren en vloeken, maar hij bleef vriendelijk en geduldig. Al met al was hij zo’n 15 minuten druk met haar, maar uiteindelijk begreep ze hem. In Nederland zou ze genegeerd zijn, iedereen zou blij zijn als ze weg was. Ook lichamelijk gehandicapten, waarvan er vele zijn, worden netjes behandeld. Natuurlijk worden er ook vele verstopt en uit het zicht gehouden, maar van degene die ik heb gezien, weet ik dat men ze goed behandeld. De Somba’s liepen tot 1965 altijd naakt rond. Toen werd er een wet aangenomen die het iedereen verplichtte minimaal één kledingstuk te dragen. In het begin deed men dat maar mondjesmaat, totdat ieder persoon die geen kleding droeg een paar dagen in de gevangenis werd gegooid. Nu draagt in de grotere gemeenschappen vrijwel iedereen kleding, maar er lopen vele mensen rond die maar één kledingstuk of setje kleren hebben, dus dragen ze iedere dag hetzelfde. Niet echt hygiënisch. Daarnaast is er sprake van een preutsheid onder de mensen ten aanzien van naakt zijn, iets wat in het verleden niet voorkwam. Dit soort taboes ontstaan onder invloed van Westerse gebruiken en zeden die men hier oplegt aan de lokale bevolking.

Vrouwen
Vrouwen en meisjes hebben het hier vreselijk slecht. Vooral in de primitieve gezinnen (en het overgrote deel van de bevolking is primitief) is het de vrouw die het meeste werk doet, koken, water halen, wassen, eten kopen, brandhout verzamelen en het land bewerken. Bij het eten is ze als laatste aan de beurt, samen met de dochters. Mannen en jongens zien er dus redelijk uit, hongerbuikjes zie je vooral bij de jongere kinderen. Vrouwen die meer dan 10 kinderen hebben gebaard zijn hier vrij normaal. Veel kinderen sterven al in het eerste levensjaar, door ondervoeding en ziekten zoals TBC en malaria. Gisteren in de kerk (voor het eerst in hele lange tijd ben ik weer eens in de kerk) brak tijdens de gebedsdienst een vrouw in hartverscheurend gehuil uit. Zij heeft in totaal elf kinderen gebaard, waarvan er negen zijn overleden. Mannen zijn hier ongevoelig voor, en erover praten gebeurt helemaal niet, dus de vrouwen zitten met veel onverwerkt verdriet. Door het harde werken en de ondervoeding zien veel vrouwen er zeer slecht uit. Daarnaast worden ze tijdens de korte nachtrust ook nog eens tot vijfmaal (!!!!) per nacht door hun man seksueel gebruikt (wat ze over Afrikanen zeggen is echt waar). De enige tijd dat een man zijn vrouw niet mag gebruiken voor seks is tijdens de zwangerschap. Daarom hebben ze ook meerdere vrouwen (sommige wel meer dan tien) want stel je voor dat je eens een dag geen seks kunt hebben. Ik denk dan ook dat prostaatkanker hier niet voorkomt met zo’n actief seksleven. Een vrouw wiens man is overleden, en die niet opnieuw trouwt met een andere man is vogelvrij (dit geld ook voor vrouwen die ouder zijn dan 30, waarvan de ouders zijn overleden). Vogelvrij betekent dat het bij deze vrouwen is toegestaan aan elke (!!) man uit het dorp om haar ’s nachts seksueel te gebruiken. Nee, emancipatie is hier een woord dat nog niet in de vocabulaire voorkomt. Gelukkig wordt er door de hier aanwezige instellingen en stichtingen (voornamelijk uit Europa) hard gewerkt aan het verbeteren van de rechten van de vrouw. Doordat de locale bevolking zich onder meer langzaam bekeert tot het katholieke geloof (waarbij slechts één vrouw is toegestaan) en door de voorlichting door met name blanken over vrouwenrechten, verandert er hier langzaam iets. In de grotere stedelijke gebieden kun je dat al merken, maar in de primitievere bush-gebieden, de afgelegen dorpen, waar de gri-gri en voodoo (tovenarij) nog belangrijk is, en men nog leeft volgens oeroude principes en gebruiken, daar valt nog veel te doen.

Arjan Robben
Wat een vreemd onderwerp zullen jullie denken, maar laat me dit uitleggen. De dochter van Marjan Kroone (de motor achter de stichting hier) heeft bij hem op school gezeten. Via zijn vader is gevraagd of hij zich wil inzetten voor de stichting, en met name dus dit gebied hier waar ik nu verblijf. Omdat hij in voorbereiding op het WK is, en omdat Chelsea hem contractueel verbiedt om naar dit soort risicogebieden te gaan (stel je voor dat hun investering ziek wordt), is zijn vriendin afgereisd hiernaartoe, om te kijken of ze zich hiervoor willen inzetten. Ze is een week gebleven, en het is een schat van een meid. Ze is door Marjan overal mee naartoe gesleept (hoewel ze bij aankomst bijna panisch was uit angst iets op te lopen), en is dus op de meest afgelegen plaatsen in de bush geweest om mensen te verzorgen en lopende projecten te bekijken. Uiteindelijk is ze helemaal voor Benin gevallen, en dus gaan ze één of meerdere projecten ondersteunen. Eén project financieren ze helemaal zelf, de overige projecten gaan ze via fundraising financieren. Ergens in september ben ik uitgenodigd om in Groningen, in de Euroborg, bij een speciale happening aanwezig te zijn, in het kader van fondsenwerving.. Lekker een hapje eten met Arjan, misschien tegen die tijd wereldkampioen, (wie weet.), ja dat lijkt me wel wat.

Vrouwen (2)
Nog een klein stukje over vrouwen, en dan niet over hoe slecht ze het hebben, maar over hoeveel er wel niet met me willen trouwen, voor me willen zorgen en vooral mee willen naar Europa. Het is dat polygamie in Nederland verboden is, anders kan ik in één keer thuiskomen met een heel roedel vrouwen in mijn kielzog. Nu moet ik nog een voorselectie houden. Ik denk dat ik gewoon een rad van fortuin ga gebruiken. En het winnende nummer is……..

Kerk
Naar de kerk gaan is hier een feest. Er zijn hier drie kerken, een katholieke, een evangelische en een moskee. Ik ga naar de evangelische, bij pastoor Bernard. Omdat een groot deel van de bevolking geen Frans spreekt wordt er tijdens de kerkdienst simultaan vertaald in het Di Tamari en nog een lokale taal (omdat er ook enkele mensen van een andere stam naar deze kerk gaan). Drie talen tegelijk, en dan af en toe nog wat Hollands ertussendoor. De dienst is vooral leuk omdat deze mensen intens geloven, en er helemaal in opgaan, en omdat er tijdens de dienst veel gezongen en heel veel gedanst wordt. Afrikaans ritmisch geklap en gedrum met de Djembé maakt het feest compleet. Het meedansen ontkom je niet aan, en dus hos ik mee, in mijn traditioneel Afrikaanse maatpak. Gelukkig kunnen jullie dit niet live bijwonen, want het moet absoluut een koddig gezicht zijn om mij zo te zien dansen. Tijdens de traditionele geldinzameling neem ik telkens een klein meisje of jongetje mee, die dan namens mij het geld in het zakje of bakje deponeert. Ze zijn hier dolblij als er weer een paar blanken in de kerk komen, want dan is de collecte zeer succesvol geweest. Vorige week, toen ook de vriendin van Arjan Robben hier was met een reisgezel was het een recordinzameling. Ze maken al tijdens de dienst bekend hoeveel er is ingezameld, en toen ik hoorde hoeveel het was, kwam ik er al snel achter dat zo’n 95 % van het bedrag uit onze zakken kwam. Geen wonder dat ze zo intens bidden en dansen. Ik zou ook blij zijn als ik hier geboren was en er was weer een yovo in de kerk. We worden wel persoonlijk welkom geheten, en als je op reis gaat, terug naar huis, dan houden ze een afscheidsceremonie (in de kerk of bij het huis waar we verblijven). Er wordt dan gedanst, gezongen en muziek gemaakt. Als afsluiting bidden ze voor een veilige reis, en dat je piloot je maar veilig thuisbrengt, en dat je maar geen microben en enge ziektes mag hebben opgelopen, en nog veel meer. Het gebed neemt zo’n half uur in beslag en komt vanuit de grond van hun hart. Heel wat anders dan bij ons, waar we bij het afscheid volstaan met een handdruk en een groet : “ Goede reis” , en dat was het.

Optiek
Ik vergeet bijna waarvoor ik hierheen ben gegaan. De opleiding van Albert, de locale bewoner van Boukombé, die ik moet opleiden tot opticien, verloopt voorspoedig. Ik moet wel werken met oude, versleten of zelfs defecte apparatuur, maar, we maken er maar het beste van. Bij gebrek aan goede meetapparatuur en testkaarten heb ik diep moeten graven in mijn geheugen om zelf een basis test voor het meten in elkaar te zetten. Maar het werkt, en na enkele weken hard werken, en stevig studeren begint Albert het te begrijpen. Hij had op een gegeven moment zo’n hoofdpijn van het eindeloze herhalen van de stof ,en het oefenen en studeren, dat hij even een paar dagen helemaal van de kaart was, maar nu, na drie weken, is hij bijna klaar voor zijn ‘examen’ , en de spanning stijgt bij hem. Natuurlijk laat ik hem slagen, maar cadeau krijgen doet hij het niet. Hij zal in ieder geval in staat zijn om eenvoudige metingen te doen (ik hoop zelfs het bepalen van de cilindrische waarde), en om een montuur met glazen te voorzien. En daar gaat het allemaal om.

Tot slot..
Oké, ik ga er een end aan breien. Ik heb natuurlijk nog veel meer te melden, maar dat bewaar ik wel voor als ik terug ben. Eigenlijk heb ik het hier, ondanks het weer en de primitieve omstandigheden (alhoewel dat in het huis waar ik verblijf reuze meevalt hoor) reuze naar mijn zin. Ik moet eerlijk zeggen dat ik respect heb voor de mensen hier. Ze werken hard om zichzelf in leven te houden, leven in een primitief land onder erbarmelijke klimatologische omstandigheden, maar blijven vrolijk en eerlijk (je kunt hier je spullen gerust laten liggen, auto’s open laten staan en zo, want stelen dat is hier een doodzonde (steniging of lynchen is de normale straf voor zoiets)). En sociaal gezien zijn ze een voorbeeld voor Europeanen, alles delen is hier het motto, terwijl ze eigenlijk vrijwel niets hebben om te delen. Veel plezier daar in Nederland (ik hoorde dat jullie eindelijk wat beter weer hebben), en tot ziens.

Manfred.

a boo ? n yétri tu adib . a cita ta bo ka da nataa ? di ko di h ? mudmmu sammu a ná po adib kommu .

PS : Taal


Ja, de taal hè. Zoals jullie hierboven kunnen lezen, niet echt alledaags. Gelukkig kunnen we met handen, voeten, papier en pen, en middelbare school Frans (27 jaar geleden geleerd, papa fumes une pipe en zo) best een end komen. Overigens staat hierboven, in het Di Tamari, de lokale taal hier: “Goedendag, hoe gaat het met U. Ik heet Albert. Hoe gaat het met je familie? En hoe gaat het in jullie land?. De vriendelijke groeten van jullie vriend Albert.

Hoe nu verder
In de laatste week van mijn verblijf in Benin werken we toe naar het examen van Albert. Ik laat hem een theorie- en praktijkexamen afleggen. Om hem nog wat te laten oefenen mag hij de ogen van de broer van Jetse (de man van Marjan) en zijn vrouw meten. Zij zijn in Benin om hun dochter te bezoeken die antropologie studeert en daarvoor in Natitingou woont. Albert heeft, ondanks al die weken van studeren, nog steeds het meest moeite met de simpelste rekensommetjes. Eigenlijk is hij ook al wat te oud om nog makkelijk iets nieuws te leren (hij is 37 jaar), en door het gebrekkige onderwijssysteem heeft hij te weinig basiskennis. Met Marjan praat ik hier wel eens over. Ik ben van plan om later dit jaar, of begin volgend jaar weer terug te gaan naar Benin, en wil dan eigenlijk de opleiding hervatten, maar dan met meerdere leerlingen. Ze moeten ook jonger zijn dan Albert. Ze zullen dan minder moeite hebben om zich de stof eigen te maken, en na hun opleiding kunnen ze langer in de praktijk hun beroep uitoefenen. Albert staat al te dicht voor zijn ·pensioen· (gemiddeld worden de mensen in Benin niet ouder dan 50 jaar), en is ook te belangrijk voor de bevolking van Boukombé. Hij wordt regelmatig weggeroepen om iemand te helpen die problemen heeft (hij is meer een soort maatschappelijk werker), en dat komt niet altijd uit.

Ik ben in Natitingou in de optiekzaak geweest die daar 7 jaar geleden is opgestart door Marije Gerdes met hulp van de F.S.A.B. (de stichting). De apparatuur die hier nu al 7 jaar staat en al tweedehands (of derdehands) was voor het naar Benin werd verscheept, heeft het vrijwel allemaal begeven. De slijpmachine, de topsterktemeter, de handslijper, ze zijn allemaal kapot. Er zijn geen reserve-onderdelen meer voor te krijgen, dus moeten we in Nederland weer op zoek naar vervanging voor deze spullen. Ook schroevendraaiers, tangen en schroefjes, neuspads etc. zijn op. Ook in Boukombé zijn sommige apparaten eigenlijk al versleten voordat Albert er mee heeft kunnen werken. Gelukkig heb ik vanuit Nederland een gloednieuwe handslijpmachine meegenomen (cadeautje van Veldhoen Trading, waarvoor dank), anders had Albert niet veel kunnen doen hier.